Stalking / Huiselijk geweld

Overige

Wetsartikelen

Door dwang aanzetten tot het plegen van ontucht met een derde (art. 248f Strafrecht)

Hij die

  • door dwang, geweld of een andere feitelijkheid
  • of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid,
  • het plegen van ontucht door een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze deleeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt,
  • met een derde opzettelijk teweegbrengt of bevordert,

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Lees meer...

Ontucht met misbruik van gezag vertrouwen (incest) (Art. 249 Strafrecht)

Hij die ontucht pleegt met

  • zijn minderjarig kind,
  • stiefkind of pleegkind,
  • zijn pupil,
  • een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of
  • zijn minderjarige bediende of ondergeschikte,

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

Met dezelfde straf wordt gestraft:

de ambtenaar die ontucht pleegt met:

  • een persoon aan zijn gezag onderworpen
  • of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen;

de bestuurder, arts, onderwijzer, beambte, opzichter of bediende in een gevangenis, rijksinrichting voor kinderbescherming, weeshuis, ziekenhuis of instelling van weldadigheid,

  • die ontucht pleegt met een persoon daarin opgenomen;

degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg,

  • ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.

Lees meer...

Koppelarij (Art. 250 Strafrecht)

1.Wordt gestraft:

  1. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie, hij die het plegen van ontucht door zijn minderjarig kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte met een derde opzettelijk teweegbrengt of bevordert;
  2. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, hij die, buiten de gevallen genoemd onder 1°, het plegen van ontucht door een minderjarige wiens minderjarigheid hij kent of redelijkerwijs moet vermoeden, met een derde opzettelijk teweegbrengt of bevordert.

2. Indien de schuldige van het plegen van het misdrijf een gewoonte maakt, kunnen de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.

Lees meer...

Dierenseks (Art. 254 Strafrecht)

Hij die

  • ontuchtige handelingen pleegt met een dier

wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie. 

Lees meer...

Virtuele dierenseks (Art. 254a Strafrecht)

  1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding - of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding - van een ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken, verspreidt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of in bezit heeft.
  2. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft degene die van het plegen van een van de misdrijven, omschreven in het eerste lid, een beroep of een gewoonte maakt.

Lees meer...

Toepassing Nederlandse strafwet op de vreemdeling (Art. 5a Strafrecht)

1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten Nederland schuldig maakt:

1°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en met 250, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt dan wel aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 300 tot en met 303, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

2°. een terroristisch misdrijf, dan wel een der misdrijven omschreven in de artikelen 225, derde lid, 311, eerste lid, onder 6°, 312, tweede lid, onder 5°, alsmede 317, derde lid, jo. 312, tweede lid, onder 5°;

3°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 231, 321, 350 en 416 tot en met 417bis, en op het feit door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld;

4°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 231, 321, 350 en 416 tot en met 417bis, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, indien het feit is gepleegd buiten de rechtsmacht van enige staat;

5°. aan het misdrijf omschreven in artikel 237;

6°. aan het misdrijf omschreven in artikel 273f;

7°. aan het misdrijf omschreven in artikel 284, eerste lid.

2. In de gevallen, omschreven in het eerste lid, onderdelen 1°, 2°, 3°, 4°, 6° en 7°, kan de vervolging ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen.

Toelichting:

Dit artikel is opgenomen om de "sekstoerist" die in het buitenland een zedenmisdrijf pleegt ten opzichte van een minderjarige, strafbaar te stellen. De Nederlandse strafwet was al van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakte een een der misdrijven, omschreven in de zeden artikelen 240b en 242 tot en met 250, voor zover het feit gepleegd is ten aanzien van een minderjarige.

Toepasselijkheid op Nederlanders buiten Nederland

1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt:

1°. aan een der misdrijven omschreven in de Titels I en II van het Tweede Boek, en in de artikelen 192a, 192b, 192c, 197a, 197b, 197c, 206, 237,272 en 273 alsmede – voor zover het betreft een misdrijf, gericht tegen de rechtspleging van het Internationaal Strafhof, als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120) – in de artikelen 177, 177a, 178, 179, 180, 189, 200, 207a, 285a en 361;

2°. aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

3°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en met 250, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt dan wel aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 300 tot en met 303, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

4°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 138ab, 138b, 139c, 139d, 161sexies, 225, 226, 227, 240a, 240b, 326, 326c, 350, 350a en 351, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen 2 tot en met 10 van het op 23 november 2001 te Budapest tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (Trb. 2002, 18, en 2004, 290), en een der misdrijven omschreven in de artikelen 137c tot en met 137e, 261, 262, 266, 284 en 285, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen 3 tot en met 6 van het op 28 januari 2003 te Straatsburg totstandgekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, betreffende de strafbaarstelling van handelingen van racistische of xenofobische aard verricht via computersystemen;

5°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 231, 321, 350 en 416 tot en met 417bis, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, indien het feit is gepleegd buiten de rechtsmacht van enige staat;

6°. aan het misdrijf omschreven in artikel 273f;

7°.  aan het misdrijf omschreven in artikel 284, eerste lid.

2. In de gevallen, omschreven in het eerste lid, onderdelen 2°, 3°, 5°, 6° en 7°, kan de vervolging ook plaatshebben, als de verdachte eerst na het feit Nederlander wordt.

 

Terugwerkende kracht


Stb. 2009, 525, datum inwerkingtreding 08-05-2012, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-11-2010.

4°.aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 138ab, 138b, 139c, 139d, 161sexies, 225, 226, 227, 240a, 240b, 326, 326c, 350, 350a en 351, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen 2 tot en met 10 van het op 23 november 2001 te Budapest tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (Trb. 2002, 18, en 2004, 290), en een der misdrijven omschreven in de artikelen 137c tot en met 137e, 261, 262, 266, 284 en 285, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen 3 tot en met 6 van het op 28 januari 2003 te Straatsburg totstandgekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, betreffende de strafbaarstelling van handelingen van racistische of xenofobische aard verricht via computersystemen;

 

 

 

Valse aangifte (Art. 188 Strafrecht)

Hij die aangifte of klacht doet dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Lees meer...