Stalking / Huiselijk geweld

Overige

Verkrachting (Art. 242 Strafrecht)

Hij die

  • door geweld of een andere feitelijkheid of
  • bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid
  • iemand dwingt tot het ondergaan van handelingen
  • die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

wordt als schuldig aan verkrachting gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste 12 jaren of geldboete van de vijfde categorie. 

Toelichting:

Dit artikel beschermt zowel vrouwen als mannen tegen het gedwongen worden tot ernstige seksuele gedragingen.

Zowel mannen als vrouwen kunnen dader zijn (een vrouw kan voor verkrachting vervolgd worden als zij een man dwingt zijn mannelijk lid in het lichaam van de vrouw te brengen) en verkrachting binnen het huwelijk is mogelijk. De verkrachter doet in letterlijke zin de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geweld aan.

De dwangmiddelen moeten behoorlijk zijn voordat van dwingen in de zin van dit artikel kan worden gesproken. De dwangmiddelen moeten zodanig zijn dat capitulatie van het slachtoffer normaal te verwachten was.

Hieraan kan worden voldaan wanneer de dwangmiddelen tegen een ander dan het slachtoffer worden aangewend. Uit het bestanddeel dwingen volgt het vereiste dat de opzet mede omvat het tegen de wil van het slachtoffer doen ondergaan van seksueel binnendringen.

Voor bewezenverklaring van het zeer ernstige misdrijf verkrachting is evenwel noodzakelijk, dat het bewijsmateriaal ook tot de overtuiging kan leiden, dat de verdachte een of meer van de ten laste gelegde dwangmiddelen heeft ingezet teneinde verzet van het slachtoffer te breken of te voorkomen, althans dat de verdachte willens en wetens voorbij is gegaan aan de aanmerkelijke kans, dat het slachtoffer bedoelde middelen en gemeenschap zou ervaren als dwang, respectievelijk onvrijwillig.

Van dwang is sprake, wanneer men toelaat wat men, ware er geen dwang, niet zou hebben gedaan. Met andere woorden: door het geweld of de bedreiging breekt de dader de wil van het slachtoffer.

Een slachtoffer kan ook gedwongen worden als iemand anders bedreigd wordt; bijvoorbeeld: "Ik vermoord je dochter als je de seksuele handeling niet duldt".

Het geweld dient van voldoende kaliber te zijn om de weerstand van het slachtoffer te breken. In artikel 81 Sr wordt met het plegen van geweld gelijkgesteld het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht.

Bij een andere feitelijkheid kan men denken aan:

  • psychische druk: Een vader die psychische druk uitoefent op zijn nog thuiswonende dochter; als hij haar emotioneel onder druk zet en daarbij relationeel overwicht gebruikt. Op een dergelijke manier kunnen kinderen gedwongen worden seksuele handelingen te dulden.
  • iemand die onder invloed van drugs of alcohol, zo bedreigend kan overkomen zodat men zich niet durft te verzetten;
  • iemand in een bedreigende situatie brengen, bijvoorbeeld door de deur van een vertrek in een verlaten woning af te sluiten;
  • ‘ernstige ongewenste intimiteiten' op de werkvloer; een werkgever of leidinggevende die zijn positie misbruikt door seksuele handelingen af te dwingen bij een werkneemster. (de feitelijkheid moet wel zo bedreigend zijn dat het slachtoffer er ook echt door gedwongen wordt, dus geen weerstand kan bieden).

Van bedreiging (met geweld) kan ook sprake zijn indien de dader een dermate dreigende situatie heeft gecreëerd dat de vrees van het slachtoffer (voor geweld) gerechtvaardigd is. Bedreiging met geweld kan ook door een gecreëerde situatie (deur op slot draaien).

Bewezen moet worden dat het slachtoffer die bedreiging met geweld heeft bemerkt of als zodanig heeft ervaren. Indien het slachtoffer bepaalde handelingen niet als zodanig heeft ervaren kan van "dwingen door bedreiging met geweld" geen sprake zijn.

Als er geen sprake is van een dwangmiddel (geweld, een andere feitelijkheid of bedreiging) dan is er ook geen sprake van verkrachting.

Met seksueel binnendringen (het binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking) wordt gedoeld op vaginaal, oraal of anaal binnendringen.

Hierbij wordt niet alleen gedacht aan binnendringen door het mannelijk geslachtsorgaan maar ook door vingers of voorwerpen. Met oraal binnendringen wordt seksueel binnendringen bedoeld (pijpen). Indien de natuurlijke lichaamsopeningen uitwending aangeraakt worden is er sprake van aanranding en geen verkrachting.

Het lostrekken van de kleding van de vrouw en het betasten van haar vrouwelijkheid om haar tot vleselijke gemeenschap te dwingen, zijn geen voorbereidingshandelingen, maar uitvoeringshandelingen, zodat in dat geval reeds sprake is van een strafbare poging tot verkrachting.

Tongzoenen: 

Tot 12 maart 2013 viel tongzoenen ook onder het seksueel binnendringen van het lichaam (242 Sr).

De Hoge Raad oordeelt dat een gedwongen tongzoen niet langer geldt als verkrachting (art.242 Wetboek van strafrecht). Iemand dwingen tot een tongzoen blijft strafbaar maar zou nu onder een lichter wetsartikel (art 246 Sr. feitelijke aanranding van de eerbaarheid) kunnen worden gebracht.

Zo bedraagt de maximale gevangenisstraf voor ‘feitelijke aanranding van de eerbaarheid’ acht jaar tegenover twaalf jaar voor verkrachting. Met deze uitspraak komt de Hoge Raad terug op zijn eerdere oordeel dat  ieder seksueel binnendringen van het lichaam, dus ook een tongzoen, moet worden gezien als verkrachting. Op dit oordeel bestond kritiek. Het bestempelen van een tongzoen als verkrachting zou strijdig zijn met het algemene taalgebruik.

Daarbij werd veroordeling voor verkrachting vanwege een tongzoen vaak als onrechtvaardig ervaren omdat een tongzoen niet op een lijn kan worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een daarmee vergelijkbare gedraging. Op grond van deze overwegingen is de Hoge Raad tot zijn gewijzigde rechtsopvatting gekomen.

Zie voor de volledige uitspraak van de Hoge Raad LJN: BZ2653

Uitspraken Rechtbank/Gerechtshof/Hoge Raad. 

Van door een feitelijkheid dwingen ex artikel 242Sr tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer kan slechts sprake zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan.

In de onderhavige zaak was vastgesteld dat het slachtoffer aan verdachte aanvankelijk te kennen heeft gegeven niet op de seksuele toenadering van de verdachte te willen ingaan.

Verdachte is daaraan opzettelijk voorbijgegaan door het slachtoffer te bevelen 'zich van onderen te gaan wassen'; haar te zeggen dat hij seks met haar wilde hebben en met haar wilde vrijen; haar te bevelen haar nachtjapon en onderbroek uit te trekken; met zijn lichaam op haar te gaan liggen; haar te zeggen dat ze haar benen wijd moest doen en zijn penis in haar vagina te brengen.

Gelet op de geringe weerbaarheid van het slachtoffer waarvan de verdachte op de hoogte was, de hiervoor omschreven gedragingen en mondelinge uitlatingen van de verdachte leverde dit een zodanig lichamelijk en geestelijk overwicht op dat het slachtoffer daaraan geen weerstand kon bieden en zich gedwongen voelde aan verdachte's wensen te voldoen.

Daarom is hier in dit geval sprake van ‘door feitelijkheden dwingen' en verkrachting. Zie voor de hele uitspraak van de Hoge Raad HR 10-10-06 LJN AY6940.