Stalking / Huiselijk geweld

Overige

Toepassing Nederlandse strafwet op de vreemdeling (Art. 5a Strafrecht)

1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten Nederland schuldig maakt:

1°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en met 250, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt dan wel aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 300 tot en met 303, voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

2°. een terroristisch misdrijf, dan wel een der misdrijven omschreven in de artikelen 225, derde lid, 311, eerste lid, onder 6°, 312, tweede lid, onder 5°, alsmede 317, derde lid, jo. 312, tweede lid, onder 5°;

3°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 231, 321, 350 en 416 tot en met 417bis, en op het feit door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld;

4°. aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 231, 321, 350 en 416 tot en met 417bis, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, indien het feit is gepleegd buiten de rechtsmacht van enige staat;

5°. aan het misdrijf omschreven in artikel 237;

6°. aan het misdrijf omschreven in artikel 273f;

7°. aan het misdrijf omschreven in artikel 284, eerste lid.

2. In de gevallen, omschreven in het eerste lid, onderdelen 1°, 2°, 3°, 4°, 6° en 7°, kan de vervolging ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen.

Toelichting:

Dit artikel is opgenomen om de "sekstoerist" die in het buitenland een zedenmisdrijf pleegt ten opzichte van een minderjarige, strafbaar te stellen. De Nederlandse strafwet was al van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakte een een der misdrijven, omschreven in de zeden artikelen 240b en 242 tot en met 250, voor zover het feit gepleegd is ten aanzien van een minderjarige.