Verjaringstermijnen

Met ingang van 1 april 2013 zijn de regels mbt de verjaringstermijnen veranderd. Deze zijn verwerkt in onderstaande artikelen. 

Artikel 70 Wetboek van Strafrecht

  1. Het recht tot strafvervolging vervalt door verjaring:
    • in drie jaren voor alle overtredingen;
    • in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;
    • in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;
    • in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.
  2. In afwijking van het eerste lid verjaart het recht tot strafvordering niet:

    1°. voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld;

    2°. voor de misdrijven, omschreven in de artikelen 240b, tweede lid, 243, 245 en 246, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

     

Artikel 71 Wetboek van Strafrecht (verkort weergegeven)

  1. De termijn van verjaring vangt aan op de dag nadat het misdrijf is gepleegd, behoudens in het in lid 3 gestelde:
    • lid 3: Bij de misdrijven omschreven in de artikelen 240b, eerste lid, 247 tot en met 250 en 273f, dan wel 300 tot en met 303 voor zover het feit oplevert genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke geslacht en gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, op de dag na die waarop die persoon achttien jaren is geworden.

 

Artikel 72 Wetboek van Strafrecht

1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.

2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.

 

Artikel 76 Wetboek van Strafrecht

1. Het recht tot uitvoering van de straf of maatregel vervalt door verjaring.

2. De termijn van deze verjaring is een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering. 

 

Artikel 77d Wetboek van Strafrecht (bijzondere bepalingen voor minderjarigen) 

1. De verjaringstermijn van het recht tot strafvordering, genoemd in artikel 70, wordt ten aanzien van misdrijven tot de helft van de daar bedoelde duur ingekort.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op misdrijven omschreven in de artikelen 240b eerste lid, 247 tot en met 250 en 273f, gepleegd door een persoon die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

3. Het recht tot strafvordering voor misdrijven waarop gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld, en de misdrijven omschreven in de artikelen 240b, tweede lid, 243, 245 en 246 voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, verjaart in twintig jaren.

Toelichting:

Met ingang van 1 april 2013 zijn de regels omtrent de verjaringstermijnen veranderd. Deze zijn verwerkt in de hierboven vermelde artikelen.

De leeftijd ten tijde van het begaan van het strafbare feit van de verdachte speelt een belangrijke rol, evenals de aard van het strafbare feit en sinds 1 september 1994 gelden aparte verjaringsvoorschriften voor enkele met name genoemde zedenmisdrijven ten aanzien van minderjarige slachtoffers van die misdrijven.

Termijnen van verjaring voor verdachte van 18 jaar en ouder:

  • Alle overtredingen: 3 jaar.
  • Misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan 3 jaar is gesteld: 6 jaar.
  • Misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan 3 jaar is gesteld: 12 jaar.
  • Misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan 8 jaar is gesteld: 20 jaar.
  • Misdrijven waarop gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld: geen verjaring;
  • Misdrijf omschreven in art. 240b lid 2 Sr. (beroep of gewoonte maken van het voorhanden hebben, vervaardigen etc van kinderpornografie): geen verjaring;*
  • Misdrijf omschreven in art. 243 Sr (gemeenschap met bewustelozen / verstandelijk gehandicapte): geen verjaring;*
  • Misdrijf omschreven in art. 245 Sr (ontuchtige handelingen met iemand beneden de 16 jaar): geen verjaring;*
  • Misdrijf omschreven in artikel 246 Sr (aanranding): geen verjaring.*

* als dit feit gepleegd is ten aanzien van een persoon jonger dan 18 jaar (laatste 4 genoemde feiten). 

De termijnen vangen normaal gesproken aan op de dag na die waarop het strafbare feit is begaan.

Met ingang van 1 september 1994 vangt de termijn aan op de dag na die waarop het slachtoffer 18 jaar is geworden. Dit geldt voor de zeden artikelen 240b eerste lid, 247 tot en met 250 en 273f (mensenhandel) van het Wetboek van Strafrecht. Deze regeling opent de mogelijkheid onder meer voor minderjarigen, die in hun jeugd seksueel zijn misbruikt, om later alsnog aangifte te doen, wanneer zij reeds meerderjarig zijn geworden.

Deze regeling is op 1 september 1994 met terugwerkende kracht in werking getreden, wat tot gevolg heeft dat de feiten die vóór 1 september 1994 hebben plaatsgevonden, ook onder de nieuwe regeling vallen.