Oogmerk

Ontkent de dader dat hij de gevolgen wilde, dan moet gekeken worden naar wat er uit de gedragingen voortvloeide en wat daaruit objectief gezien afgeleid kan worden . Het is te verwachten dat rechters de ‘oogmerkjurisprudentie' ook op de onderhavige delictsomschrijving zullen toepassen.

Vereist is dat de belager met zijn gedragingen het slachtoffer doelbewust tot iets wil dwingen of het slachtoffer vrees wil aanjagen. Zonder het bestanddeel oogmerk zou de strafbepaling te breed zijn.

Met dit bestanddeel is aangesloten bij de klassieke terminologie van de artikelen 284, 285 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Hierdoor behoeft niet bewezen te worden dat het slachtoffer tengevolge van de inbreuk iets heeft gedaan of nagelaten wat hij zonder die inbreuk niet zou hebben gedaan of niet zou hebben nagelaten. Of het beoogde slachtoffer tot iets is bewogen, is strafrechtelijk niet relevant.

‘Vrees aanjagen' veronderstelt kwaad opzet. Van iemand, die een ander onbewust of onopzettelijk doet schrikken of hindert in diens privacygenot kan niet gezegd worden, dat hij vrees aanjaagt. Het is niet doorslaggevend dat de vrees ook daadwerkelijk bij het slachtoffer is opgewekt. Vrees is hier als het ware geobjectiveerd.

Voldoende is dat in het algemeen de inbreuk geschikt en geëigend zou zijn om een bepaalde opstelling teweeg te brengen. Een uitzonderlijke kordate vrouw, die zich door haar ex-man de kaas niet van het brood laat eten, moet niet achtergesteld worden bij een zwakkere vrouw, die wel eerder van de kaart is.

Verder staat bedreiging in zoverre gelijk aan vreesaanjaging, dat bedreiging eveneens aanwezig is, ook al voelt deze concrete persoon zich niet daadwerkelijk bedreigd. Dat kan bijvoorbeeld zijn oorzaak vinden in het feit dat hij of zij meer kennis heeft over de bedreiger. Hij of zij kan weten dat de belager nog geen deuk in een pakje boter kan slaan. Ieder ander, die deze kennis over de belager niet heeft, zou zich echter wel bedreigd voelen.

Stel, een man belt regelmatig midden in de nacht op verschillende uren, wekenlang in successie. Hij zegt niets, maar haalt duidelijk hoorbaar adem door de telefoon en hoest zo nu en dan luid. Mevrouw A. herkent hem aan zijn hoest en weet dat dit de sullige, bedlegerige overbuurman is. Zij is daarom niet bang, maar wel zwaar geïrriteerd. Mevrouw B. echter kent deze man niet en meent uit zijn ademhaling en hoest te kunnen afleiden dat een brute geweldenaar haar lastig valt. Mevrouw B. is doodsbang.

Dit onderscheid in wat de gedragingen van de belager bij het slachtoffer te weeg brengt, behoort strafrechtelijk geen verschil te maken. De voorkennis van mevrouw A. heeft niet tot gevolg dat dit nachtelijk bellen bij haar geen belaging is. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is dezelfde, ook al is duidelijk dat bij mevrouw A. géén en bij mevrouw B. wel angst wordt ingeboezemd.

Vergelijk hiervoor dan ook de interpretatie van bedreiging. Voor bedreiging is nodig dat de bedreiging onder zodanige omstandigheden heeft plaatsgevonden dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan. De dader moet kennelijk gericht zijn op het teweegbrengen van die vrees.

De bedreigde moet in elk geval kennis hebben gedragen van de inhoud van de bedreiging. Daarom is in de delictsomschrijving niet het objectieve effect van de gedraging centraal gesteld, maar de intentie van de dader.