Inbreuk levenssfeer

Inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer

De jurisprudentie zal dit bestanddeel moeten inkleuren. De belager breekt in op een situatie, waarin het slachtoffer redelijkerwijs aanspraak kon maken op (een zekere mate van) privacy.

Privacy is een rechtsgoed, waaraan men ook deel heeft als men de ruimtelijke beslotenheid van huis, tuin of erf verlaat. Zo kan iemand, die aan het werk is buitenshuis, daar eveneens belaagd worden.

Bij belaging is van belang of een andere persoon, redelijkerwijs te vergelijken of gelijk te stellen met het slachtoffer in kwestie, eveneens de handelingen en activiteiten van de belager zou ervaren als inbreuken op zijn of haar privacy. Men moet hier dus wel objectiveren. Als de persoon, die meent belaagd te worden, een zeer nerveus en onzeker iemand is, die zich onredelijk snel gekrenkt voelt in zijn grondrecht op privacy, terwijl anderen in vergelijkbare omstandigheden dat zeker niet zo zouden waarderen, dan is de inbreuk niet aanwezig.

Het door de woorden ‘persoonlijke levenssfeer' te beschermen rechtsgoed is het grondrecht om in vrijheid te handelen onder het genot van een veilige private levenssfeer. Een gedraging, die stelselmatig op dat grondrecht inbreuk maakt, zodanig dat de gerechtigde niet langer in het ongestoorde genot van zijn grondrecht is, kan een gedraging in de zin van dit artikel zijn, mits de gedraging wederrechtelijk is.

In de Grondwet wordt dit rechtsgoed beschermd door de artikelen 10, 12 en 13. In artikel 12 van de Grondwet wordt het huisrecht beschermd en in artikel 13 het recht op brief- en telefoongeheim. De ‘persoonlijke levenssfeer' uit artikel 10 van de Grondwet omvat deze begrippen.

In ‘inbreuk maken' zit besloten dat de privacygerechtigde de storing in zijn persoonlijke levenssfeer niet wenst. Vindt iemand een storing niet ongewenst, dan is er dus geen sprake van ‘inbreuk maken'.

Wanneer iemand bijvoorbeeld 's nachts ongevraagd en stelselmatig opgebeld wordt door een hijger, maar daar zelf van geniet en dat laat blijken, dan kan er niet gesteld worden dat er van een strafrechtelijk relevante inbreuk sprake is.