Voor vrouwelijke zedenpleger is seksuele lust geen drijfveer

Voor het eerst is grootschalig onderzoek gedaan naar vrouwelijke zedenplegers. Ze blijken wezenlijk te verschillen van de mannelijke delinquenten.

Vrouwelijke zedendelinquenten plegen hun daden zelden alleen. In tweederde van de gevallen hebben zij een of meer mannelijke medeplegers. Dat blijkt uit onderzoek van criminologe Miriam Wijkman, die vandaag promoveert aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Daarmee verschillen vrouwelijke zedendelinquenten van mannelijke, die meestal alleen handelen.

De meisjes en vrouwen vervallen ook zelden in herhaling, in tegenstelling tot mannen. Seksuele lust blijkt amper een drijfveer te zijn, terwijl dat bij mannelijke daders vaak wel een belangrijke rol speelt. Het onderzoek van Wijkman is het eerste grootschalige onderzoek naar vrouwelijke zedenplegers in Nederland. Dat ook meisjes en vrouwen daders kunnen zijn van verkrachting en aanranding wordt volgens Wijkman onderschat.

In vrijwel alle onderzoek naar seksuele delicten gaat het over mannen als dader. Wijkman bestudeerde alle veroordelingen sinds 1993, vanwege de digitale beschikbaarheid vanaf dat jaar. Het gaat om ruim 200 gevallen, "het topje van de ijsberg", volgens de criminologe. "Uit eerder onderzoek weten we dat aangifte bij misbruik door vrouwen nog lager is dan bij mannelijke daders, bij wie het rond de 5 procent ligt.

Zeker als het volwassen mannen of jongens betreft. De schaamte is vaak groot. Ook kiezen vrouwen meestal erg jonge slachtoffers; voor hen is aangifte nog moeilijker, omdat ze soms niet eens beseffen wat hen overkomen is." Aanleiding voor haar onderzoek waren getuigenverklaringen van door hun vaders misbruikte jongens.

Zij gaven opvallend vaak aan dat ook hun moeder betrokken was bij het misbruik. Passief, door altijd afwezig te zijn, maar ook actief. "Het viel me op dat we eigenlijk helemaal niets wisten over vrouwen als zedendelinquenten." Motieven voor het plegen van een zedendelict zijn divers. In het geval van aanrandingen of verkrachtingen in groepsverband speelt groepsdruk vaak een grote rol, blijkt uit de verklaringen van de vrouwelijke daders.

Soms zijn ze bang voor hun liefdespartner die de daad initieert, soms, in het geval van meisjes, willen ze bij de groep horen. Wijkman ontdekte dat meisjes en vrouwen soms zelf de initiatiefnemer zijn. Ze kwam diverse verklaringen tegen waarin ze zeiden dat ze zelf een partner in crime hadden gezocht om hun daad mee te plegen.

Motieven als wraak ("Ze is er met mijn vriend vandoor en moet gestraft worden") speelden daarbij bijvoorbeeld een rol. Opvallend is ook dat de vrouwelijke daders - anders dan hun mannelijke evenknieën - vaker een verleden van seksueel misbruik hebben. Wijkman: "Nog een signaal dat we met een heel ander daderprofiel te maken hebben."

Jan Hendriks, hoogleraar aan de VU en klinisch psycholoog bij de instelling voor forensische psychiatrie De Waag, zegt dat de uitkomsten van het onderzoek bewijzen wat al werd vermoed: dat meisjes en vrouwen een andere behandeling nodig hebben dan mannelijke zedenplegers. "De kans op herhaling blijkt nihil, ook spelen afwijkende seksuele voorkeuren zelden een rol", zegt Hendriks, die Wijkman mee begeleidde.

"Omdat zij in meerderheid samen met een man de daad begaan, gaat het dus veel meer over de beïnvloedbaarheid van deze groep vrouwen." Uit de studie kwam naar voren dat veel daders een geschiedenis van verwaarlozing en psychische en gedragsproblemen hebben. Bij de oudere daders speelt middelengebruik en prostitutie soms een rol. Maar Wijkman benadrukt daarmee niet te willen zeggen "dat iemand tot verkrachting overgaat omdat ze verwaarloosd is". Volkskrant 15-12-2014