Inleiding

Plegers van seksueel misbruik geven vaak te kennen dat het misbruik hen als het ware overkwam, dat het vanzelf gebeurde of groeide tussen het slachtoffer en de pleger.

Door dit taalgebruik wordt de schijn gewekt als zou de pleger feitelijk geen verantwoordelijkheid dragen voor het misbruik. De pleger profileert zich daarbij niet zelden als slachtoffer van de omstandigheden.

In feite blijken plegers een actief plannende rol te spelen ten aanzien van het seksueel misbruik. Men noemt dit plannen "grooming". Dit geldt zowel in als buiten het gezin.

Er zijn vier punten waarom plegers overgaan tot seksueel misbruik:
  • Er moet sprake zijn van motivatie om te misbruiken
  • Interne remmingen moeten overwonnen worden;
  • Externe remmingen moeten overwonnen worden;
  • De weerstand van het kind moet overwonnen worden.

De eerste twee condities zijn voor plegers noodzakelijk om tot seksueel misbruik over te kunnen gaan. Indien aan de eerste twee condities is voldaan, bepalen de laatste twee of en hoe het seksueel misbruik gestalte kan gaan krijgen.

Letterlijk vertaald betekent "grooming", verzorgen, voorbereiden. Grooming heeft met name betrekking op de planfase van het seksueel misbruik. De vraag is daarbij welke verleidingstactieken en/of -technieken de pleger zal gaan hanteren om het beoogde slachtoffer binnen zijn invloedssfeer te krijgen.

Dit kan ook omschreven worden als "de strategie van het misbruik". Het grooming-proces kan ook in de volgende punten ingedeeld worden:

  • Seksualisering van de relatie tussen de volwassene en het kind;
  • Rechtvaardiging van het seksuele contact;
  • Bewerkstelligen van de medewerking van het kind.

Voor de pleger loopt het proces van de seksualisering als volgt:

Een aanvankelijk normaal affectief contact met het kind in de context van gewone lichamelijke activiteiten zoals baden, knuffelen, kietelen en stoeien, kan door de pleger op grond van een opkomende of reeds langer bestaande seksuele gedachte of fantasie omgevormd worden tot een geseksualiseerd contact.

De pleger kan zich daarbij vragen gaan stellen als: is ze ook geïnteresseerd in mij; hoe zou het zijn om haar aan te raken; hoe zou ze reageren als ik de afstand tussen haar en mijn zou verkleinen? Een genitale of vaginale aanraking, die daarna zou kunnen plaatsvinden, lijkt dan "per ongeluk", maar is dat niet.

De twee meest voorkomende rechtvaardigingen luiden:

  • dat het niet echt seksueel was wat er gebeurde;
  • dat het weliswaar seksueel was, maar verder volkomen acceptabel.

Het bewerkstelligen van de medewerking van het kind betreft de manier waarop de pleger kinderen in seksuele relaties betrekt, hen daarin houdt en tevens voorkomt dat zij daarover gaan spreken met anderen. Soms bereikt de pleger deze "medewerking" door dreiging of intimidatie.

Vaak lijkt het erop dat plegers beschikken over een zesde zintuig om de specifieke kwetsbaarheid van een kind te ontdekken en te exploiteren. Op deze wijze hoeven de meer nadrukkelijke vormen van pressie of macht niet gebruikt te worden. Deze "geweldloosheid" kan bovendien bijdragen aan de overtuiging bij de pleger dat het kind zelf ook instemde met het seksueel misbruik.