Strafrecht

"Er zijn situaties waarin vrouwen zich niet kúnnen verzetten!" Onderzoek naar behandeling van verkrachting in strafrecht

Pas in 1991 werd seksueel geweld binnen relaties strafbaar gesteld. Ook werd toen pas erkend dat verkrachting niet per se vooraf gegaan hoeft te worden door lichamelijk geweld, of door bedreiging daarmee.

Maar hoe zit het met de seksuele zelfbeschikking voor vrouwen als norm? Politicologe Nicolle Zeegers promoveerde op een onderzoek naar de politieke strijd over verkrachting in het strafrecht in de periode 1975 - 1995.

Een vrouw hoeft in haar persoonlijk leven niet te doen wat zij niet wil. Van deze stelling zullen in Nederland weinig mensen meer vreemd opkijken. Maar wie naar de Nederlandse wetgeving kijkt, ontkomt niet aan de indruk dat de vrouwelijke wil als het gaat om seksualiteit nog niet altijd serieus wordt genomen.

De criteria die het strafrecht hanteert om te beoordelen of er sprake was van gedwongen seks of vrijwillige seks, staan soms ver af van de belevingswereld van met name vrouwelijke slachtoffers. Nog steeds verleent de rechter vrijspraak in zaken waarin volgens de beleving van het slachtoffer wel degelijk sprake was van gedwongen seks.

Eind jaren zestig wezen feministen er al op dat seksueel geweld, ook binnen het huwelijk, een omvangrijk probleem was. Zeegers: "Om dit probleem aan te pakken, moest onderkend worden dat de ongelijke machtsverhouding tussen mannen en vrouwen juist ook binnen seksuele relaties een rol speelde.

Nederlandse feministen pleitten ervoor om in de wetgeving rond verkrachting rekening te houden met dit gegeven. Dat vrouwen vrij over hun lichaam moeten kunnen beschikken, zélf moeten kunnen uitmaken met wie ze seks hebben en wanneer, moest als maatschappelijke norm worden vastgelegd in het strafrecht."

De wetswijziging van 1991 moest aan de feministische kritiek, die maatschappelijk inmiddels ook voet aan de grond begon te krijgen, tegemoet komen. De uitzonderingsclausule `buiten echt' werd geschrapt. En de definitie van dwang werd zodanig uitgebreid dat naast geweld ook `een andere feitelijkheid of bedreiging met een andere feitelijkheid' als dwangmiddel kunnen gelden.

En op dit punt heeft de wetswijziging zijn oorspronkelijke doel gemist. "Deze praktijk houdt er geen rekening mee dat er situaties zijn waarin vrouwen zich niet hebben kúnnen verzetten", oordeelt Zeegers, "bijvoorbeeld doordat ze sliepen, of doordat hun partner hen murw heeft gemaakt door hen jarenlang te mishandelen." Het resultaat is een wetgeving die dwangmiddelen als manipulatie, misleiding en machtsmisbruik uitsluit van wat geldt als verkrachting.

Die tekortkoming heeft volgens Zeegers zijn oorsprong in een te liberale definitie van het begrip wilsvrijheid. "De huidige strafrechtpraktijk rond verkrachting gaat uit van autonome individuen die op rationele gronden keuzes kunnen maken. Dat is een liberaal ideaal waar niet alle leden van de maatschappij te allen tijde aan kunnen voldoen. Een wetgeving die op dit idee is gebaseerd, biedt onvoldoende bescherming aan individuen die in een sociaal kwetsbare positie zijn komen te verkeren."

Maar het geldt niet alleen voor vrouwen. "Ook homoseksuele mannen in bepaalde kringen kunnen met psychologische chantage te maken hebben, en zich daardoor niet durven verzetten tegen seksueel geweld."

Wat moet er gebeuren om de situatie te verbeteren? Zeegers is daar stellig in: "De wetgever moet zich opnieuw uitspreken over de interpretatie van dwang als `een andere feitelijkheid of bedreiging met een andere feitelijkheid'.

Daarbij moet ze aansluiting zoeken bij het standpunt dat bepaalde feministische denkers al decennia lang uitdragen: om in verkrachtingszaken vast te stellen of er sprake was van dwang, moet het voldoende zijn om aan te tonen dat de dader het slachtoffer de mogelijkheid heeft ontnomen in vrijheid te beslissen of ze seks met hem wilde. Niet het handelen van het slachtoffer moet centraal staan in het rechterlijk oordeel - zoals nu het geval is - maar het handelen van de dader."

Waarom heeft dit idee het dan in 1991 niet gehaald? Zeegers: "Het is uiteindelijk gesneuveld toen het wetsvoorstel werd behandeld in het parlement. En dat had vooral te maken met principiële opvattingen over hoe wilsvrijheid gedefinieerd moet worden.

Het beschermingsbeginsel, dat in de feministische visie centraal staat, het idee dat je voorwaarden moet scheppen waarbinnen individuen in vrijheid tot keuzes kunnen komen, was te zeer in tegenspraak met de opvatting over wilsvrijheid die op dat moment in het parlement dominant was: het liberale wilsbegrip van het autonome individu."

Toch sluit Zeegers herziening van het verkrachtingsartikel in de toekomst niet uit. "Recent zijn er kamervragen gesteld naar aanleiding van de gerechtelijke behandeling van een zaak waarin een vrouw in haar slaap werd verkracht. Kennelijk begint er erkenning te komen voor het gegeven dat zaken als misleiding en manipulatie buiten de verkrachtingswetgeving vallen, en dat dat een probleem is."